Wegwijzer

Naast je emoties staan — hoe bevrijding in de praktijk werkt

Leestijd: 5 min


Deze tekst kan je beschouwen als een vervolgartikel van 'Emoties als leermeester en belemmering'.

Er is een zin die telkens terugkeert wanneer het over de Stoïcijnse onverstoorbaarheid (de derde positie) gaat: het zelf staat naast zijn emoties, observeert ze, begrijpt waar ze vandaan komen, laat ze toe voor zover ze dienstbaar zijn, maar valt er niet langer mee samen. Het klinkt helder zolang je het als beeld aanvaardt, maar zodra je je afvraagt hoe dit nu concreet in zijn werk gaat, wordt het lastig.

De verwarring is begrijpelijk, en ze ontstaat voor een groot deel door een dubbelzinnigheid in het woord "observeren". Wie de werking van deze derde positie wil doorgronden, moet eerst dat woord uit elkaar halen. Want er zijn twee soorten waarnemen die elkaars tegenpool zijn, en alleen het verschil ertussen verklaart waarom de methode werkt.

Aandacht die voedt, en waarnemen dat bevrijdt

Laurency formuleert het ongemakkelijk: aandacht versterkt alles wat het observeert. Wie zijn fouten observeert, versterkt ze. Dat is een waarschuwing, geen uitnodiging. De meeste mensen denken dat ze hun emoties verwerken door er aandachtig bij stil te staan, maar wat ze feitelijk doen, is de emotie opnieuw beleven. Wie gekwetst is en "bij zijn gekwetstheid stilstaat", speelt het gesprek opnieuw af, herhaalt de onrechtvaardigheid, voelt de steek opnieuw — en voedt zo precies het complex dat hij wilde laten verdwijnen. Aandacht is energie; waar je die naartoe richt, groeit.

Dit is de valkuil waarin veel zelfhulp terechtkomt. Het advies "ga eens goed naar je gevoel voelen" resulteert maar al te vaak in een versterkte, niet een bevrijdende, emotie. Wie in zijn verdriet duikt, wordt erin opgenomen en verdwijnt erin; wie zijn woede herkauwt, wordt er heter van, niet koeler.

De derde positie begint precies hier met een onderscheid. Er is aandacht die de inhoud volgt — het verhaal van de emotie, de innerlijke monoloog, de rechtvaardiging, de herbeleving — en er is waarnemen dat de verschijning constateert. Het eerste voedt; het tweede bevrijdt. Het verschil zit niet in de emotie zelf, maar in de positie van waaruit je haar waarneemt. Bij het eerste sta je ín de emotie, vereenzelvigd ermee, en beleef je haar van binnenuit. Bij het tweede merk je op dát er een emotie opkomt, zonder in haar verhaal te stappen. Je constateert: er is boosheid — en je gaat niet mee met de redenering die de boosheid je voorlegt.

Dat is de eerste stap, en ze is verrassend eenvoudig te herkennen in de praktijk. Het omslagpunt is het moment waarop je niet langer denkt "ik ben boos", maar "er is boosheid". Een verschil van drie woorden, maar het verplaatst het hele zwaartepunt. In het eerste geval bén je de boosheid en spreekt ze met jouw stem. In het tweede geval is de boosheid een verschijnsel dat je waarneemt, en is er blijkbaar iets — het zelf — dat waarneemt en dus niet de boosheid is. Laurency maakt dit expliciet: het feit dat je een gevoel als een losstaand verschijnsel kunt beschouwen, toont aan dat je zelf iets anders is dan dat verschijnsel.

Waar komen ze vandaan?

De tweede stap is begrijpen waar de emotie vandaan komt. Dit is geen intellectuele oefening achteraf, maar een levend onderdeel van het waarnemen zelf. Want een emotie die je toeschrijft aan jezelf, aan wie je "bent", heeft een greep op je die een emotie die je herkent als een verschijnsel met een oorzaak nooit kan krijgen.

Laurency wijst erop dat lang niet alles wat in ons emotionele omhulsel opkomt, door onszelf wordt veroorzaakt. Stemmingen, depressies, plotselinge ergernis, een golf van onrust — vaker wel dan niet zijn het trillingen die van buitenaf binnenkomen, of impulsen die opstijgen uit het onderbewustzijn, waar alles ligt opgeslagen wat in dit en vorige levens is gedacht en gevoeld. Het emotionele omhulsel is als een zee die door vele winden wordt bewogen, en de meeste golven zijn niet van ons.

Dat inzicht ontwapent. Zolang je gelooft dat elke emotie "van jou" is en dus iets zegt over wie je bent, moet je er wel mee vereenzelvigen en word je erdoor bepaald. Zodra je ziet dat een emotie een verschijnsel is dat door oorzaken wordt opgewekt — een prikkel, een oud complex, een voorbijtrekkende trilling — verliest ze haar morele dwang. Ze is niet langer een vonnis over jezelf, maar een weersgesteldheid die je kunt lezen in plaats van ondergaan.

Hier ligt de kern van Laurency's formule: "Mijn omhullende bewustzijn verlangt hiernaar, maar ik verlang er niet naar." De zin scheidt precies wat de derde positie scheidt. Het omhulsel heeft zijn verlangens, zijn neigingen, zijn reflexen — die zijn er, ze hebben hun eigen dynamiek, en ze mogen er zijn. Maar het zelf, dat ze waarneemt, valt er niet mee samen. Het omhulsel wil; het zelf besluit.

Toelaten zonder te voeden

Daarmee komen we bij het onderdeel dat het meest verkeerd wordt begrepen: "toelaten voor zover ze dienstbaar zijn". Het klinkt als een uitnodiging tot onderdrukking, maar het is juist het tegendeel van onderdrukken. Onderdrukken is een vorm van verzet, en verzet is aandacht — wie een emotie wegduwt, is er nog steeds vol van. Wat hier wordt bedoeld, is iets anders: je verbiedt de emotie niet te bestaan, maar je voedt haar ook niet met de aandacht die haar doet groeien. Je laat haar er zijn als een verschijnsel, constateert haar, en richt je aandacht op wat je werkelijk dient.

Het woord "dienstbaar" is hier de sleutel. Emoties zijn niet per definitie hinderlijk. Ze dragen energie, en energie kan worden gebruikt.

Het zelf dat naast zijn emoties staat, hoeft ze niet uit te bannen — het beoordeelt of een emotie op dit moment iets bijdraagt, en zo ja, laat het haar werken; zo nee, laat het haar zijn zonder haar te volgen. De emotie wordt van meester tot instrument.

Dat is de overgang waar het artikel over ging: van emotionaliteit die bepaalt, naar emotionaliteit die beschikbaar is. Een emotie die je waarneemt, kun je gebruiken. Een emotie waarmee je samenvalt, gebruikt jou.

De zeiler

Het beeld van de zeiler maakt dit concreet op een manier die geen uitleg overtreft. De beginneling moét de wind leren voelen — dat is zijn noodzakelijke fase, zonder die gevoeligheid leert hij nooit zeilen. Maar de ervaren zeiler is niet de wind, en onderdrukt de wind ook niet. Hij leest hem, gebruikt hem waar hij hem dient, en laat hem waar hij niet dient, zonder dat de wind hem omverblaast of zijn koers bepaalt.

Zo werkt de derde positie. Het is geen kilte en geen overgave, geen onderdrukking en geen identificatie. Het is een verschuiving van het zwaartepunt: van "ik bén dit" naar "er is dit, en ik zie het". Het zelf blijft staan waar het altijd stond — alleen zat het eerst ín de golven, en staat het nu aan het roer.


Infographic

Naast je emoties staan — hoe bevrijding in de praktijk werkt


Dia-presentatie