De conceptie van het juiste (2/3): moralisme en de chaos van het juiste
Leestijd: 15 min
Dit tweede deel van de lezing over sectie 8 van Kennis van het Leven 2 van Henry T. Laurency neemt de draad op waar het eerste ophield. Dat eerste deel legde de grondslagen bloot: waarom 'moraal' en 'ethiek' niet meer werken, het probleem van het juiste, de grondslagen waarop een begrip van juist kan rusten, individuele integriteit en de kernvraag van goed en kwaad.
Hier gaat het over de diagnose en de tegenstander. Laurency begint bij het relativisme van het juiste en de heersende chaos daarover, keert zich vervolgens tegen het moralisme en het morele oordeel, herleidt dat oordeel tot de zwarte loge en besluit met de vraag hoe je de mens werkelijk leert kennen. De draad loopt van de verwarring over goed en kwaad naar de kritiek op wie meent te mogen oordelen.
Ook hier zijn de aangehaalde passages Laurency's eigen woorden en is de rest verduidelijking.
8.6 Het relativisme van het juiste
Tegen deze achtergrond is de term 'ethisch relativisme' misleidend. De uitdrukking werd ingevoerd om willekeurige toepassing van beginselen van juist te voorkomen, maar heeft volgens Laurency onvermijdelijk tot verwarring geleid, met als gevolg de afschaffing van alle concepten van het juiste. De fout zit niet in de beginselen maar in hun toepassing: het leven bestaat uit relaties, en concepten en beginselen van juist ontstaan, veranderen en ontwikkelen zich vanuit de relaties tussen individuen en de omstandigheden die daaruit voortkomen. Wie die relaties niet kent, kan de beginselen niet rationeel toepassen.
Laurency voegt daar een diagnose van zijn eigen tijd aan toe: de verwarring over juist is ontaard in chaos en een terugval naar barbarij, omdat men het verschil niet heeft begrepen tussen de wetten die gelden voor het eerste zelf en die voor het tweede zelf, tussen de mens als individu en de mens als lid van de samenleving en de mensheid, en tussen gerechtvaardigd egoïsme en noodzakelijk altruïsme. Wie die onderscheidingen mist, gooit ze op één hoop en verliest elk houvast.
De passage die hij aan de paren van tegenstellingen wijdt, is de dichtste formulering van het hele essay:
In de esoterie wordt veel gesproken over de "paren van tegenstellingen". Het gaat altijd om hoger en lager (naïef uitgedrukt: goed-kwaad, juist-onjuist).
Het is natuurlijk onjuist om het lagere als kwaad te beschouwen omdat het lager is, zoals moralisten doen. Het is pas kwaad als het een obstakel vormt voor het streven naar een hoger doel.
Bijna volledig onwetend van het leven, tastend in het duister (zonder enig idee van wat er het volgende moment kan gebeuren), is het zelfs misdadig om eisen aan mensen te stellen waaraan ze niet kunnen voldoen.
Ondanks zijn onmenselijkheid zal het moralisme echter altijd blijven bestaan zolang de mensheid zich in een stadium van haat bevindt (48:4-7).
De vier fragmenten horen bij elkaar. Het eerste stelt het kader: de tegenstelling is hoger-lager, en 'goed-kwaad' is daarvan slechts de naïeve uitdrukking. Het tweede corrigeert de moralist: het lagere is niet kwaad omdat het lager is. Het derde noemt de eis van volmaaktheid misdadig, omdat de mens die niet kan vervullen. En het vierde is de nuchtere conclusie: zolang de mensheid zich in een stadium bevindt waarin haat het levenselixir is, zal het moralisme blijven bestaan. Wie dat niet aanvaardt, vecht tegen de golven.
8.7 De heersende chaos van het juiste
Deze subsectie beschrijft de toestand waarin we ons bevinden. Laurency citeert een analyse waarin moraliteit verschijnt als een kwestie van conventie: er is geen menselijke handeling die de gemeenschap niet op een bepaald moment heeft goedgekeurd en op een ander veroordeeld, en omdat moraliteit conventie is, heeft de gemeenschap het recht haar te veranderen of te verbeteren.
Hij ziet daarin een terugkeer naar de sofisten. De soevereiniteit van de eigen wil bepaalt op dictatoriale wijze wat waar en onwaar, goed en kwaad is. Onze tijd kenmerkt zich door dezelfde ontbinding van concepten als het tijdperk van de Griekse sofisterij — in de politiek, de economie en het rechtssysteem — terwijl de publieke opinie daar niets van merkt tot de catastrofe zich al heeft voltrokken. Willekeur heerst en macht is juist, goed gemaskeerd achter allerlei vormen van sofisterij. De totale desoriëntatie in de opvattingen over de werkelijkheid omvat ook de verwarring over 'moraliteit': iedereen heeft zijn eigen definities van goed en kwaad.
Laurency wijst op het risico van een concept van juist dat op religie is gebaseerd. Zodra mensen inzien dat de theologische boodschap fictief is, verzwakt het respect voor het maatschappelijk concept van juist, en wordt de ontbinding algemeen. Wat men verzuimd heeft uit te leggen, is dat het begrip 'juist' niets met theologie te maken heeft, maar een sociale en juridische visie is op hoe mensen zonder wrijving zouden moeten samenleven — een rechtssysteem dat bestaat om individuen te beschermen tegen aanvallen op het gelijke recht van iedereen.
Tegen die achtergrond staat de passage waarin hij de herkomst van de moraal blootlegt:
Wat mensen moraal noemen, zijn sociale conventies, concepten van goed en kwaad die door verschillende soorten samenlevingen zijn geformuleerd op basis van ervaring of die als noodzakelijk worden beschouwd voor het voortbestaan van de samenleving.
Deze conventies werden later opgenomen in religieuze fictiesystemen en voorgesteld als goddelijke geboden, waardoor ze de aura van onschendbaarheid en heiligheid kregen. Dat sommige ervan toevallig overeenkomen met de wetten van het leven — de wet van eenheid, de wet van vrijheid — lijkt Laurency eerder toeval dan inzicht, gezien de manier waarop staten zichzelf boven alle wetten van het leven achten en naar believen moorden, stelen en bedriegen. En de massa betaalt de prijs:
De massa wordt misleid door allerlei absurde beloften en gelooft blindelings in valse idealen.
Dat is de chaos die het essay wil bestrijden, en het is meteen ook de reden waarom een beroep op kennis van de wetten van het leven onvermijdelijk is. Pas wanneer de mensheid die kennis heeft verworven, wordt het stadium van cultuur met een waar begrip van goed en kwaad bereikt.
8.8 Moraliteit en moralisme
Het woord 'moraliteit' komt van het Latijnse mores, gewoontes, en betekende — voordat de theologen de fictie van de zonde introduceerden en alle concepten van goed absolutiseerden — een systeem van conventies om de barbaar te leren hoe hij zich onder mensen moest gedragen. In die oorspronkelijke zin is er niets mis mee. Het misbruik zit in wat ervan gemaakt is:
Men heeft het negatieve geabsolutiseerd, wat verlamt, in plaats van het positieve te benadrukken, wat bevrijdt.
Dit is in één zin de kern van Laurency's bezwaar. Een moraal die vooral verbiedt, verlamt; een moraal die het goede benadrukt en de ontwikkeling bevordert, bevrijdt. Het christelijke moralisme heeft volgens hem consequent voor het eerste gekozen.
De filosofen zijn het nooit eens geworden over de inhoud van het idee 'het goede', en volgens Laurency kunnen alleen esoterische studies dat probleem oplossen, omdat het verbonden is met de betekenis en het doel van het leven. Wat moraliteit in de praktijk is, is standaardisatie: het conventionele bewijs van de gelijkheid van allen. Moralisten denken dat ze het recht hebben om eisen aan anderen te stellen en veroordelen iedereen die geen fetisj van fatsoen maakt, blind voor hun eigen gebrek aan oordeelsvermogen, onverdraagzaamheid en arrogantie.
Hoe vijandig die houding tegenover het leven staat, blijkt het duidelijkst in contrast met de ontwikkelingsladder:
Dat de huidige moraal, met haar absurde eisen en eeuwige oordelen, vijandig staat tegenover het leven, wordt het duidelijkst wanneer deze wordt gecontrasteerd met het inzicht dat ieder individu zich ergens op een voor ons eindeloze ontwikkelingsladder bevindt, en dat zijn begrip van het leven en zijn gedrag het resultaat zijn van het niveau dat hij heeft bereikt.
Hier ligt de hele fout. De moraal beoordeelt iedereen met één maat, terwijl ieder individu zich op een ander punt van een eindeloze ladder bevindt. Wie dat inzicht heeft, kan niet langer dezelfde eisen stellen aan een barbaar en aan een mens in het humanistische stadium. Moraliteit is dan ook "een uitvinding van satanisten", en ze zal blijven bestaan zolang haat het levenselixir van de mensheid is, want moraliteit biedt mensen de schijn die ze nodig hebben om te haten en te oordelen.
Bij die instrumenten hoort ook het drietal zonde, genade en vergeving:
Samen met 'zonde en genade' is vergeving het meest duivelse middel dat satanisten ooit hebben bedacht om de mensheid te verdoemen en zo te tiranniseren.
De redenatie is consequent: wie geen recht heeft om te oordelen, heeft ook geen recht om te vergeven. Het recht om te vergeven is een zelfverklaard recht zonder grondslag. Volgens de esoterie bestaat er geen zonde, geen genade, geen vergeving en geen recht om te oordelen — er is alleen de Wet, de wet van zaaien en oogsten, die zelfs de goden niet kunnen veranderen. Dat is geen wreedheid maar een vorm van eerlijkheid: wat je zaait, oogst je, zonder tussenpersoon die de rekening kan kwijtschelden.
Daartegenover staat het enige oordeel dat Laurency als authentiek aanvaardt — een uitspraak die hij aan Christus zelf toeschrijft:
Maar er zijn ook ware uitspraken van Christos, waaronder: "Oordeel niet..."
Oordelen is de sterkste uiting van haat en de grootste vergissing, zowel wat betreft de wet van vrijheid als de wet van eenheid.
Laurency merkt op dat de kerken deze woorden consequent hebben genegeerd en vooral niet in praktijk gebracht. Oordelen sluit de rechter uit van de gemeenschap van het leven en kan daarom worden beschouwd als een blunder die erger is dan een misdaad.
Wat de moraal verbergt, is dat fouten juist het materiaal van ontwikkeling zijn:
Wij zijn hier om ervaringen op te doen en ervan te leren. Vanwege onze bijna totale onwetendheid van het leven maken we grotendeels niets dan fouten, die we (wanneer we ervan hebben geleerd) dwaasheden noemen. Dat de moraal vijandig staat tegenover het leven blijkt uit het feit dat de moraal ons wijsmaakt dat deze dwaasheden onvergeeflijk zijn. In plaats daarvan waren het noodzakelijke ervaringen, die ons heilzame, zo niet noodzakelijke, lessen hebben geleerd.
Hier wordt zichtbaar waarom moraliteit een zelfdestructief effect heeft. De psychologische fout is dat we ons identificeren met onze vroegere dwaasheden, terwijl onze afkeuring ervan juist aantoont dat we veranderd zijn. Door ons met die ervaringen te identificeren, kwellen we onszelf en vergiftigen we ons leven, in plaats van dankbaar te zijn voor de les.
De diepere fout van de moraal is de vorm waarin ze zich uit:
De psychologische fout van moraliteit is het verbod (gij zult niet). Dat zeg je tegen kinderen die niets begrijpen totdat ze hebben geleerd zich onder mensen te gedragen. Maar dat zeg je niet tegen volwassenen.
De wet van de oogst zegt noch 'gij zult niet' noch 'gij zult', maar 'als u dit en dat doet, dan is het gevolg dit en dat'.
De moralist is niet in staat te zien dat het individu is zoals hij is op zijn niveau, en dat hij er niets aan kan doen dat hij niet anders is.
Het feit dat je niet moraliseert, betekent niet dat je het standpunt of de actie accepteert.
De vier uitspraken horen bij elkaar als een kleine handleiding. Verboden horen bij kinderen en schenden bovendien de wet van de vrijheid. De wet van de oogst is geen gebod maar een beschrijving van oorzaak en gevolg, en laat de keuze aan het individu. De moralist ziet niet dat iemand niet anders kan zijn dan zijn niveau toelaat. En wie niet moraliseert, keurt daarom nog niets goed: de esotericus oordeelt niet, maar ziet de fouten en weet waaraan ze te wijten zijn. Dat laatste is precies het verschil tussen oordeelloosheid en onverschilligheid.
De levensbeschouwing zelf verandert met het niveau:
De levensbeschouwing verschilt op verschillende niveaus, en dit gaat door in een lange reeks van steeds hogere niveaus met steeds juister inzichten
Totdat het individu de wereld van de platonische ideeën bereikt en zelf de feiten kan vaststellen, beseffen en begrijpen wat op zichzelf waar en juist is. Het relativisme is dus geen eindpunt, maar een langzame convergentie naar inzicht — en dat is iets heel anders dan de bewering dat alle standpunten even gerechtvaardigd zijn.
Wat er van een mens mag worden verwacht, hangt daar eveneens mee samen:
De eigenschappen die we in vorige levens hebben verworven, kunnen we gemakkelijk opnieuw verwerven. Maar de meeste eigenschappen worden langzaam verworven in de loop van miljoenen jaren.
Dit is Laurency's antwoord op de eis van overeenstemming tussen leven en leer die moralisten stellen. De eigenschappen die we missen, horen bij een hoger niveau en zijn dus geen moreel gebrek. Dat betekent niet dat er niets te verwachten valt — het betekent dat de verwachting moet kloppen met het niveau.
En dat leidt tot de meest eenvoudige toetssteen uit het hele essay:
Wie zichzelf ook maar een beetje kent, spreekt nooit kwaad over een ander.
Kort, en niet te weerleggen. Wie de eigen onderbewuste bewegingen enigszins heeft gezien, weet hoe weinig reden hij heeft om een ander te veroordelen. Laurency voegt eraan toe dat moralisten precies dit niet weten:
De moralisten weten niets van reïncarnatie en de wet van zaaien en oogsten, van het leven tussen incarnaties, van de wet van ontwikkeling en de verschillende ontwikkelingsstadia. Hoe minder je weet, hoe zekerder je bent van je illusies en verzinsels.
De laatste zin is de wetmatigheid achter alle zelfverzekerde veroordeling: de zekerheid is omgekeerd evenredig met de kennis. Wie niets weet van de werking van de wet van oogsten, van de motieven van mensen op hogere niveaus, en van het feit dat het motief het essentiële is, kan zich niet permitteren anderen te beoordelen, maar doet het juist daarom.
Daar hoort ook een mildheid tegenover zichzelf bij:
We maken allemaal grotendeels alleen maar fouten, hoe wijs en goedbedoelend we onszelf ook achten, en dat komt doordat we onwetend zijn over het leven en de wetten van het leven.
Laurency citeert hierbij Goethe: "Es irrt der Mensch, so lang er strebt." De mens dwaalt zolang hij zich inspant. Dat is geen vrijbrief voor onverschilligheid, maar het is wel de reden waarom de eis van zondeloosheid onmenselijk is: hij veronderstelt een perfectie die in het menselijk rijk niet verwezenlijkt kan worden.
De prijs die pioniers betalen voor het durven anders zijn, wordt ten slotte geïllustreerd met een portret van Blavatsky:
Blavatsky deed haar best om die levensvergiftigende roddels te bestrijden. Ze droeg mannenkleding, reed schrijlings op een paard (iets verschrikkelijks in die tijd), rookte als een schoorsteen, vloekte als een ketter en pochte over haar buitenechtelijke kinderen. Geen wonder dat ze werd belasterd en veroordeeld. Later betreurde ze de uitdagingen waar ze voor stond, niet omwille van zichzelf, maar omdat de laster ook het werk beïnvloedde dat haar was opgedragen voor de mensheid.
Dit is meer dan een anekdote. Het laat zien hoe het mechanisme werkt: wie het morele oordeel tart, wordt zelf het doelwit, en de laster raakt niet alleen de persoon maar ook het werk dat hij of zij te doen heeft. Laurency noemt de strijd tegen het moralisme daarom waarschijnlijk vruchteloos zolang de mensheid zich in een stadium bevindt waar haat het levenselixir is.
8.9 Satanisme
Als moraliteit een uitvinding van satanisten is, wat is satanisme dan precies? Laurency definieert het niet als een sekte of een leer, maar als een richting van energie:
Kwaad is alles wat eenheid, ontwikkeling en zelfverwerkelijking tegenwerkt.
Ze doen dit door te werken met en voor involutie, wat voor de mensheid een terugkeer naar het stadium van barbarij betekent.
Binnen de grenzen van de wet van de vrijheid kunnen ze echter de levensonwetenden misleiden en verleiden om hun onbewuste dienaren te worden.
Het kwaad bereikt zijn uiterste in individuen die voldoende kennis hebben van de fysieke, fysiek-etherische en emotionele krachten om de materie in die werelden bewust en systematisch te beheersen en zo de evolutie tegen te werken. Dat zijn, in Laurency's terminologie, de ware heersers van die werelden. Toch zijn ze niet almachtig: ze worden zonder het te vermoeden gecontroleerd door het collectieve wezen van de wet van het lot, en al hun plannen lopen op niets uit tenzij ze de wet van de oogst dienen. Binnen de grenzen van de wet van de vrijheid kunnen ze echter wel misleiden — en dat is precies wat ze doen, met valse beloften die alle illusies van het egoïsme bevredigen.
Het onderscheid met de planetaire hiërarchie is daarom technisch te benoemen:
Wat het verschil maakt tussen de planetaire hiërarchie en de zwarte loge is dat de witten alleen evolutionaire energieën gebruiken en de zwarten alleen involutieve energieën.
Het doel van de elementalen, gevormd uit involutieve materie, is om de omhulsels van evolutionaire wezens te beïnvloeden en daarmee de mogelijkheden van de monaden om deze omhulsels te beheersen te verslechteren.
Het kwaad is een afschuwelijke realiteit die hoe dan ook kwaad genoemd moet worden.
Die laatste zin is een correctie op twee kanten. Aan de ene kant verzet Laurency zich tegen de neiging om het kwaad weg te verklaren — hij noemt het in de hoogste mate onterecht om het bestaan van elementalen te verdedigen door het idee van het kwaad als onjuist te bestempelen, en hij wijst op de Indiase mentaliteit die zowel het bestaan van materie als van het kwaad kan ontkennen. Aan de andere kant waarschuwt hij dat je niemand helpt door verwarring van ideeën te zaaien: er zijn andere manieren om verschillen vast te stellen dan door concepten absoluut te maken. Elke vorm van absolutisering is een vergissing.
De politieke consequentie is even scherp als eenvoudig:
Alle politieke of religieuze regimes die de vrijheid van denken, de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid verbieden, zijn agenten van de zwarte loge.
Laurency voegt eraan toe dat het instinct van de mensheid in wezen gezond is, maar dat naties zich gemakkelijk laten misleiden, vooral door angst — het voornaamste wapen van de satanisten. De maatstaf is dus niet ideologisch maar juridisch: waar de vrijheid van denken en spreken wordt afgeschaft, daar is de involutie aan het werk.
En dan volgt een van de meest onverwachte passages uit het essay, over de hond:
De hond heeft in het dierenrijk een even grote hoogte bereikt als de mens op de drempel van het bovenmenselijke rijk.
Het is een scharnierzin, geen sentimentaliteit. Laurency citeert Schopenhauer — "hoe beter ik de mens leer kennen, hoe meer ik van honden houd" — om vervolgens vast te stellen dat het grootste deel van de mensheid zich nog in of nabij het stadium van barbarij bevindt. Dat relativeert de zelfvoldaanheid van de lezer, maar het relativeert ook de moraal: "We delen allemaal in de mensheid", en wie denkt vrij te zijn van fouten en ondeugden, zal waarschijnlijk nog noodzakelijke ervaringen opdoen.
8.10 De mens kennen
De volgende subsectie is een les in bescheidenheid over het kennen van anderen.
Het is onmogelijk voor mensen in lagere stadia om mensen in hogere stadia te beoordelen. Het is ook duidelijk dat het voor hen onmogelijk is om dit te beseffen.
De dubbele onmogelijkheid is het punt. Het is niet alleen moeilijk om iemand op een hoger niveau te beoordelen, het is onmogelijk — en het is eveneens onmogelijk om te beseffen dat je dat niet kunt. Daarmee is elk oordeel over de motieven van mensen boven je eigen niveau bij voorbaat onbetrouwbaar, wat niet wegneemt dat het democratische gebrek aan respect en eerbied correctie onmogelijk maakt.
Dat brengt Laurency tot een sombere balans:
De mensheid op deze planeet van verdriet heeft, door zich te laten leiden door de zwarte loge, haar bewustzijnsontwikkeling belemmerd en de zaaiing van gruwel met onuitsprekelijk lijden als gevolg gezaaid.
Dit is geen retoriek maar de logische uitkomst van wat hij eerder beschreef: een mensheid die zich laat leiden door de verkeerde richting van energieën, cultiveert vooral de slechte eigenschappen en laat de goede onverworven. Waar de moralisten zichzelf daarbij geweldig vinden, is er volgens Laurency juist zelfblindheid in het spel — en Bertrand Russell noemde de hypocrisie van moralisten terecht het kwaad dat het moeilijkst te ontmaskeren is.
Dat is ook de kern van hun fout:
In plaats van aandacht te besteden aan het goede en iedereen te helpen de goede eigenschappen te ontwikkelen die in ieder mens aanwezig zijn, doen theologen en moralisten hun best om zich op het kwaad te concentreren en het zo te versterken.
Zij die oordelen, zijn kwaadaardige mensen.
Het eerste fragment beschrijft de richting van de aandacht: moralisten kijken naar het kwaad en versterken het zo, terwijl de esoterische benadering precies omgekeerd is — het goede in ieder mens versterken, omdat daar de ontwikkeling begint. Het tweede fragment is de harde samenvatting, en het is een van die zinnen die je niet kunt lezen zonder je af te vragen waar je zelf staat.
Tegenover de moralist staat een ander beeld van wat een mens werkelijk is:
De planetaire hiërarchie benadrukt dat iedereen een 'redder' moet worden voordat hij het vijfde natuurrijk kan betreden.
Iedereen die deelneemt aan het werk voor de evolutie is een redder: staatslieden, 'filosofen', wetenschappers, kunstenaars, enzovoort.
Een mens moet worden beoordeeld (als hij al beoordeeld moet worden) op zijn bijdrage, op het buitengewone dat hij heeft gedaan, en niet op zijn fouten en tekortkomingen.
Hier wordt de maatstaf omgekeerd. Redder zijn is geen ambt en geen roeping voor enkelen: iedereen die deelneemt aan het werk voor de evolutie is het, of het nu een staatsman, een filosoof, een wetenschapper of een kunstenaar is. En de beoordeling, voor zover die al moet plaatsvinden, richt zich op de bijdrage, niet op de gebreken. De moralisten hebben deze groten altijd veroordeeld vanwege hun onvermijdelijke gebreken, en zo hun eigen onwetendheid getoond. Laurency voegt eraan toe dat die gebreken vaak juist groter zijn naarmate de bijdrage groter is, deels omdat de grotere energie ook de tekortkomingen vergroot.
Hoe de mensheid zich gedraagt wanneer de omstandigheden het toelaten, blijkt uit de manier waarop schandalen worden behandeld:
Zulke dingen gebeuren overal, op grote of kleine schaal, in het huidige stadium van de menselijke ontwikkeling. Maar het wordt slechts in zeldzame, uitzonderlijke gevallen algemeen bekend.
De individuele kenmerken verdwijnen en het algemene verschijnt: dit is de mensheid zoals ze is wanneer de omstandigheden het mogelijk maken. De schandalen zijn geen uitzondering maar de regel die zichtbaar wordt — en wie geen bescherming geniet, heeft geen rechten, omdat niemand zich voor de zaak wil opofferen.
Wat volgt
Het derde en laatste deel verlaat de kritiek en gaat over de praktische kant. Laurency beschrijft waar het middenpad loopt tussen de uitersten, wat gezond verstand en evenwicht betekenen, hoe idealen werken en waarom ze bij het ontwikkelingsniveau moeten aansluiten, wat karakter is en hoe het zich verhoudt tot moraal, en hoe je kinderen iets van het juiste kunt bijbrengen. Het besluit met de twaalf essentiële kwaliteiten — de kwaliteiten die de planetaire hiërarchie zelf als noodzakelijk beschouwt, en die de praktische vertaling vormen van alles wat in sectie 8 wordt betoogd.
Lees het volledige hoofdstuk 8 in het boek Kennis van het Leven 2.
Infographic
