De conceptie van het juiste (1/3): het probleem van goed en kwaad
Leestijd: 15 min
Sectie 8 van Kennis van het Leven 2 van Henry T. Laurency heet De conceptie van het juiste. Het is een omvangrijk essay dat dicht bij het dagelijks leven blijft, want het gaat over iets waar niemand buiten kan: de vraag wat juist is. Laurency noemt het zelf "een poging tot oriĆ«ntatie in deze kwestie" ā geen wetboek, geen catechismus, maar een verkenning van de grondslagen waarop een houdbaar begrip van goed en kwaad zou kunnen rusten.
Het essay is zo omvangrijk dat deze lezing in drie delen verschijnt.
Dit eerste deel behandelt de grondslagen: waarom 'moraal' en 'ethiek' niet meer werken, het probleem van juist, de grondslagen waarop een begrip van juist kan rusten, individuele integriteit en de kernvraag van goed en kwaad.
Het tweede deel neemt het relativisme van het juiste, de heersende chaos daarover, het moralisme, het satanisme en het kennen van de mens voor zijn rekening.
Het derde deel besluit met het middenpad, gezond verstand en evenwicht, de idealen, het karakter, het onderwijs in het juiste en de twaalf essentiƫle kwaliteiten.
De aangehaalde passages zijn Laurency's eigen woorden. De tekst eromheen is een poging om ze te verduidelijken en in verband te brengen.
8.1 Waarom 'moraal' en 'ethiek' niet meer werken
Laurency begint met een schoonmaakoperatie. Het woord 'moraliteit' is volgens hem zo verworden tot een idioot woord dat het niet meer gebruikt zou moeten worden. De concepten erachter zijn geformuleerd door theologen en anderen die onbekend zijn met de werkelijkheid, het leven, de wetten van het leven, ontwikkelingsfasen en wedergeboorte. Het resultaat zijn begrippen die in veel opzichten nutteloos zijn in het leven, of er zelfs vijandig tegenover staan.
Hij maakt vervolgens een onderscheid dat in het hele essay terugkeert: sociale concepten, die horen bij de wetgeving van de gemeenschap en nodig zijn voor een wrijvingsloos samenleven; ontwikkelingsconcepten; en esoterische concepten, waaronder de twaalf essentiƫle kwaliteiten. Voor die laatste bestaat geen definitieve formulering in een rechtssysteem, en dat laat hij aan de toekomst. Maar concepten van juist zijn noodzakelijk, anders ontstaat er chaos in goed en kwaad.
Zijn voorstel is terminologisch Ć©n inhoudelijk : vervang 'moraliteit' en 'ethiek' door 'conceptie van juist'. Dat woord is nog niet misbruikt en kan dus aanduiden waar het werkelijk om gaat. De observatie die daarop volgt is typerend voor Laurency's manier van kijken : in het Frans en het Engels staat 'moreel' naast 'mentaal', en dat verraadt dat moraliteit in het huidige ontwikkelingsstadium als een onderdeel van de emotionaliteit wordt beschouwd. Wanneer het normatieve deel van de mensheid het mentale stadium bereikt, zal het begrip van de Wet ā de som van alle natuurwetten en levenswetten ā de huidige verwarring en morele fictie vervangen.
8.2 Het probleem van juist
Geen enkele poging om een ideaal rechtssysteem te construeren is geslaagd. De scherpzinnigste geesten uit de filosofiegeschiedenis hebben het geprobeerd, en het resultaat is negatief: men is er zelfs niet in geslaagd overeenstemming te bereiken over definities van goed en kwaad. De reden is eenvoudig en ontnuchterend: de grondslag ontbreekt. En die grondslag zijn de wetten van het leven. Zonder die grondslag blijft elk rechtssysteem een constructie van onwetendheid en willekeur.
Dat verklaart ook waarom debat hier zo vaak op niets uitloopt. In de meeste problemen van goed en kwaad heeft betweterigheid onuitputtelijke mogelijkheden voor schijnbaar correcte bezwaren; Socrates had nog duizenden jaren met de sofisten kunnen discussiƫren. Zolang men het niet eens is over de grondslag, leidt discussie nergens heen. En die grondslag kan niet de bestaande wet zijn: als de ingestelde wet in strijd is met het ideaalrecht of met de wetten van het leven, kan ze geen fundament vormen. Formalisme dat de wet tot haar absurde consequenties doordrijft, verandert opperste rechtvaardigheid in opperste onrechtvaardigheid.
Laurency leunt hier op Schopenhauer voor een rationele definitie van onrecht en plicht: onrecht is het toebrengen van leed of schade aan anderen, of het nu gaat om personen, vrijheden, eigendom of reputatie, en plichten zijn handelingen waarvan de nalatigheid iemand schaadt. De verantwoordelijkheid voor maatregelen om gedrag te beteugelen ligt bij de overtreder, en bij de beoordeling van een mens moet je niet naar zijn onwetendheid en illusies kijken, maar naar zijn lijden, angst, behoefte en pijn.
De onmogelijkheid om het over goed en kwaad eens te worden hangt samen met iets dat geen enkele filosofie kan wegredeneren:
De vraag hoe men het kwaad van individuen moet bestrijden en zich tegen de uitingen van het kwaad moet beschermen, kan niet in het algemeen worden beantwoord, maar moet van geval tot geval worden beoordeeld.
Dit is de kern van het probleem, en tegelijk de reden waarom de klassieke ethiek faalde. Er bestaat geen algemene methode van correctie. Elk individu moet individueel worden behandeld, en de te volgen procedure verschilt naar ontwikkelingsstadium, beoordelingsvermogen, de neiging tot afstoting in het karakter, de manier van zelfbevestiging, de mate van agressiviteit en de omstandigheden. Een systeem dat ƩƩn regel voor allen wil, miskent de werkelijkheid die het wil ordenen. Wie te maken krijgt met mensen die niet ontvankelijk zijn voor vriendelijkheid en redelijkheid, en die misbruik maken van zijn verdraagzaamheid, heeft vaak geen andere keuze dan het als een beproeving te beschouwen of een andere omgeving te zoeken.
Hoe ver de onwetendheid reikt, ook aan de bovenkant van de ladder, blijkt uit de volgende passage:
Hoe onvoorstelbaar ingewikkeld het leven is, hoe onmogelijk (in absolute zin) het is om juist te handelen, kan de HylozoĆÆcus (die niettemin toegang heeft tot het HylozoĆÆsche wereldbeeld en de basiskennis van de wetten van het leven) zich vaag voorstellen wanneer hij leert dat zelfs degenen in het vijfde natuurrijk (met hun enorm superieure kennis) problemen moeten bespreken die de mensheid en haar individuen aangaan.
Zelfs de leden van het vijfde natuurrijk ā met hun onvergelijkbaar grotere kennis ā moeten deze kwesties nog bespreken. Geen wonder dat wie de verzamelde levenservaring van de mensheid heeft geassimileerd, het vierde rijk ziet als ƩƩn grote kleutertuin, waarin de kinderen helaas "met dynamiet kunnen spelen". Dit is geen geruststellende passage, maar wel een eerlijke: wie meent dat goed en kwaad eenvoudige kwesties zijn, heeft het leven niet begrepen. De rest van het essay moet dan ook worden gelezen als een poging tot oriĆ«ntatie, niet als een antwoordsleutel.
8.3 De grondslagen van juist
Als de grondslag niet in de wet en niet in de consensus ligt, waar dan wel? Laurency is ondubbelzinnig: de opvatting van juist moet gebaseerd zijn op kennis van de wet en op de levensvisie van eenheid. Een opvatting die op egoĆÆsme rust, blijkt vroeg of laat onhoudbaar in haar gevolgen; wie loyaal is uit egoĆÆstische motieven, houdt op loyaal te zijn zodra die motieven verdwijnen.
Daarmee is de klassieke ethiek nog niet gered. Kants formule ā kan deze stelregel van mij een algemene wet worden? ā noemt Laurency onhoudbaar, omdat ze tot absolutisering en dogmatisme leidt. Ook het principe "vrijheid binnen de grenzen van het gelijke recht van allen" is geen sluitend rechtsbeginsel: de grenzen laten zich niet exact definiĆ«ren. Toch is het goed genoeg als rechtsnorm, als basis om op voort te bouwen. Alles wat ertegen ingaat, mist een houdbare grondslag en is bovendien in strijd met de wetten van het leven.
Ook het nuttigheidsbeginsel krijgt een plaats: "het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal individuen" is een fundamentele grondslag voor oordeel, want het gaat niet om wat het beste is voor het individu, maar om wat het beste is voor de velen. En de basis van alle menselijk handelen is de levensvisie: de werkelijkheidsinhoud van iemands overtuigingen bepaalt of hij geschikt of ongeschikt is voor het leven, een nuttig lid van de samenleving of een gevaar ervoor. Als die overtuiging onhoudbaar blijkt, verliest hij zijn houvast.
Dat is precies wat er gebeurde toen de religieuze moraal haar gezag verloor. De voorvechters ervan presenteerden slechts twee alternatieven: een moraal op basis van geloof in een bovenaardse orde, of moreel nihilisme. Laurency weigert die keuze:
Goed en kwaad kunnen alleen worden gebaseerd op de kennis van de wetten van het leven.
Daar zit de hele these van het essay in. Morele voorschriften ontlenen hun geldigheid aan theologische fictie, en zodra die fictie wordt losgelaten, verdwijnt ook de wettelijke basis. Wat overblijft is niet het nihilisme, maar de wet: de wetten van het leven zijn de enige grondslag die niet samen met het geloof in ficties verdwijnt. Dat is een sterke claim, en Laurency onderbouwt haar met een tweede:
De mens is te onwetend over het leven om te bepalen wat schadelijk of onschadelijk kan zijn.
Hij voegt eraan toe dat zelfs de wetenschap dat maar zelden kan bepalen ā veel minder vaak dan de expertise doet vermoeden. Wie dus uitgaande van heersende opvattingen normen wil vaststellen voor goed en kwaad in allerlei levensgebieden, bouwt op drijfzand. Dit is ook een waarschuwing tegen een al te zelfverzekerde levenskunst: de onwetendheid is structureel, niet incidenteel.
De consequentie is dat de mensheid het zelf zal moeten doen, zonder hogere boekhouding:
God doet niets wat de mens kan doen. Het is de taak van de mensheid om de weg naar een vreedzaam sociaal leven te vinden.
Dat is geen godslastering maar een taakomschrijving. Het is een illusie van religieuze onwetendheid om te geloven dat de godheid alles recht zal zetten, dingen die de mens heel goed zelf kan doen. Laurency verbindt hieraan het beginsel van de 'wil tot eenheid', ook wel 'goede wil' genoemd: de mensheid moet kiezen tussen het aanvaarden van dat beginsel of het dulden van een oorlog van allen tegen allen. Aantonen dat dit beginsel de enige houdbare basis is, noemt hij niet moeilijk; in de rest van het essay laat hij zien waarom.
8.4 Individuele integriteit
Van de grondslagen naar het individu. Hier wordt het essay fel, want Laurency verdedigt het privƩleven met dezelfde energie waarmee hij later het moralisme aanvalt.
Tegen alle moralisten moet eens en voor altijd worden gesteld dat het individu, volgens de wet van de vrijheid, het goddelijke recht op leven heeft om te denken, voelen, zeggen en doen wat hij wil, zolang hij daarbij het gelijke recht van allen op dezelfde onschendbare vrijheid niet schendt en, wat de rest betreft, geen strafbare feiten pleegt.
Dit is de wet van de vrijheid in haar meest elementaire vorm, en het is de maatstaf waarmee Laurency elke moraal meet. Wat daarbinnen valt, gaat niemand iets aan. Roddelen en alles vergiftigen tot laster is geen onschuldige zwakte maar een schending van de wet van de vrijheid ā en de moralist die anderen beoordeelt, valt zo onder het oordeel dat hij zelf uitspreekt.
Daar hoort ook het recht op zelfverdediging bij:
Zichzelf verdedigen tegen aanvallen op het privƩleven is onderdeel van het recht op zelfverdediging dat door het leven zelf wordt verleend. Het privƩleven van anderen gaat niemand aan. Alleen in zijn relatie tot de wereld om hem heen, dus buiten zijn eigen levenssfeer, hebben we het recht om het individu te bekritiseren, als daar een reden voor is, wat lang niet iedereen kan bepalen.
De grens is dus precies: binnen zijn eigen levenssfeer is het individu onschendbaar; in zijn relaties met de wereld om hem heen mag het ter discussie staan, als daar een reden voor is. En Laurency voegt er iets aan toe dat de lezer niet mag missen: wie kan bepalen of die reden er werkelijk is, is lang niet iedereen. Het recht om te bekritiseren is niet hetzelfde als de bekwaamheid om te oordelen.
Tegenover het apeninstinct ā de neiging om te volgen wat iedereen zegt en doet, een echo te zijn van de opvattingen van de eigen tijd ā staat dan het recht om anders te zijn:
Het is hoog tijd dat we leren die gidsen en weldoeners van de mensheid te tolereren die zich niet houden aan de heersende gebruiken en gewoonten, die durven anders te zijn.
Laurency verbindt dit met het lot van de pioniers: dezelfde barbaarsheid en hetzelfde fanatisme die marteling en verbranding hebben uitgevonden, hebben alle pioniers en genieĆ«n vervolgd, zelfs Boeddha en Christus. De esotericus is dus niet immuun voor dit mechanisme ā hij is er juist een doelwit van, omdat hij "anders is en dat mag je niet zijn". Zijn antwoord is niet aanpassing maar integriteit: hij bewaart zijn persoonlijke integriteit, kiest wie hij kan helpen en op welke manier, en schendt daarbij nooit het recht van de ander om op zijn eigen manier te denken en te voelen.
8.5 Goed en kwaad
Dit is de kern van het essay, en de langste sectie. Laurency begint met de zin van het leven, want zonder die is goed en kwaad betekenisloos: de zin van het leven is de ontwikkeling van het bewustzijn.
Ontwikkeling betekent dat het bewustzijn leert de materie te beheersen door de wetten van het bestaan te ontdekken en de 'almacht' van de wil te benutten.
Ontwikkeling is dus niet een kwestie van gevoel of goede bedoeling, maar van kennis en vermogen: de wetten van het bestaan ontdekken en de wil leren benutten. Ons grenzeloze leven is een instinctieve en vervolgens steeds bewuster wordende manier om inzicht, begrip en vermogen te verwerven. Van daaruit is de definitie van kwaad bijna onvermijdelijk:
Alles wat deze ontwikkeling tegenwerkt, kan kwaad genoemd worden. De voorwaarde voor ontwikkeling is dat het individu vrij is om te denken, voelen, zeggen en doen wat hij denkt dat past binnen de grenzen van het gelijkheidsrecht van allen, en ook dat hij vrij is van materiƫle zorgen, zodat hij de mogelijkheid heeft om te werken aan zijn bewustzijnsontwikkeling.
Let op de dubbele voorwaarde : vrijheid en vrijheid van materiƫle zorgen. Kwaad is niet alleen wat iemand bewust tegenhoudt, maar ook wat de voorwaarden voor ontwikkeling wegneemt. Armoede, gebrek aan rechtsbescherming en sociale onrechtvaardigheid zijn in die zin geen tragische neveneffecten, maar vormen van kwaad, iets wat Laurency verderop uitdrukkelijk zegt.
De beweging van het bewustzijn is er een van bevrijding:
De ontwikkeling van het menselijk bewustzijn is een voortdurende identificatie van het zelf met het hogere en bevrijding van het lagere, en kwaad is alles wat de bevrijding belemmert.
Hier wordt de tegenstelling hoger-lager het ordenende principe. Goed is wat de identificatie met het hogere bevordert, kwaad is wat de bevrijding van het lagere belemmert. Daaruit volgt een conclusie die moralisten ongemakkelijk moet stemmen: niets is op zichzelf goed of kwaad.
Niets is op zichzelf goed of kwaad. Het hangt er allemaal vanaf hoe we het gebruiken. Hetzelfde geldt voor menselijke eigenschappen, hoe we ze gebruiken (onze intentie, ons motief), of ze de ontwikkeling van het bewustzijn en de eenheid bevorderen of juist tegenwerken, of ze voor het deel of voor het geheel worden gebruikt.
De maatstaf verschuift dus van de daad naar het gebruik en het motief, en van het deel naar het geheel. De egoĆÆst die alleen aan zichzelf denkt en aan alles wat hij als zijn bezit beschouwt, verzet zich daarmee tegen de eenheid, niet omdat bezit slecht is, maar omdat de richting van zijn energie naar binnen wijst.
Wat volgt is een rehabilitatie van het kwaad als leermeester:
Wijsheid begint met het inzien van het belang van 'het kwaad' voor ontwikkeling als een drijvende kracht, met het erkennen van het belang van het aan het licht komen van latente gebreken, met het begrijpen van het belang van fouten en mislukkingen.
Dit is een van de meest bevrijdende inzichten uit het essay. Zolang passiviteit en het weglaten van een negatieve houding overheersen, versterkt de angst om fouten te maken alleen maar de lafheid. Dante gaf het juiste antwoord op de vraag wie het goede kent: hij die het kwade kent. Kwaad is wetteloosheid, en de basis van het kwaad is onwetendheid over het leven. Wie ware kennis en inzicht bezit, waaronder de kennis dat het bestaan onvergankelijk is, handelt niet tegen de Wet in. Wanneer dat inzicht axiomatisch is geworden voor de mensheid, is de mens volwassen ā niet eerder.
Die houding betekent niet dat het kwaad moet worden geduld. Laurency is hier scherp:
Van de vele vervalsingen van de uitspraken van Jeshu die in de gnostische evangelieromans voorkomen, is er geen misleidender dan die volgens welke we het kwaad niet zouden moeten weerstaan.
De reden is nuchter: als dat waar was, zou de planetaire hiƫrarchie de macht aan de zwarte loge hebben overgedragen. In die strijd bestaat geen derde standpunt, geen neutraliteit. Het kwaad heeft bovendien een precieze definitie:
Kwaad ontstaat wanneer het lagere niveau het hogere niveau mag domineren. Goed is alles wat de evolutie bevordert; kwaad is alles wat die tegenwerkt.
Goed en kwaad zijn dus geen losse morele categorieĆ«n maar beschrijvingen van de verhouding tussen niveaus. Het lagere is op zichzelf niet kwaad ā het is een noodzakelijk bestanddeel van elke evolutie:
Het lagere is op zichzelf niet kwaad. Evolutie veronderstelt een hoger en een lager niveau. De drie hogere "principes" van een septenair worden goed genoemd, omdat ze relatieve perfectie, kennis, vrijheid, enz. impliceren. De vier lagere worden kwaad genoemd, omdat ze relatieve imperfectie, onwetendheid, onvrijheid, enz. laten zien.
Hier wordt de kosmologische achtergrond van het essay zichtbaar. In de septenaire opbouw van de mens zijn de drie hogere beginselen goed, de vier lagere kwaad ā niet omdat ze verkeerd zijn, maar omdat ze relatieve onwetendheid en onvrijheid vertegenwoordigen. Het lagere streeft zelf naar het hogere; het hogere streeft naar aantrekking en eenheid, terwijl het lagere vaak een staat van afstoting doorloopt. Werkelijk kwaad ontstaat pas wanneer het lagere niveau bewust voor afstoting en scheiding kiest en systematisch de eenheid tegenwerkt.
Laurency werkt dit uit in termen van energie, en dat is een van de meest verhelderende passages uit het essay:
Kwaad is een kwestie van verkeerde richting van energieƫn. Net zoals atomen van twee soorten zijn (positieve en negatieve), zo hebben alle soorten energieƫn twee hoofdrichtingen: het neerwaartse pad van involutie (van de hoogste naar de laagste wereld) en het opwaartse pad van evolutie (van de laagste naar de hoogste). Voor monaden in de evolutionaire rijken zijn de energieƫn die omhoog gaan 'goed' en de energieƫn die omlaag gaan 'kwaad'. De goede energieƫn bevorderen de evolutie, de kwade energieƫn werken die tegen. De omhulsels van evolutionaire monaden bestaan uit involutieve monaden op hun weg naar fysieke materie; daarom hebben ze een naar beneden gerichte werking. De energieƫn die "goed" zijn voor deze involutieve monaden zijn "kwaad" voor evolutionaire monaden. Alle bewustzijnsuitingen van evolutionaire monaden die involutieve monaden in hun neerwaartse "ontwikkeling" bevorderen, werken evolutionaire monaden in hun opwaartse ontwikkeling tegen.
Dit verklaart waarom goed en kwaad geen kwestie van smaak zijn en tegelijk niet absoluut zijn in de naïeve zin: ze zijn gerelateerd aan de richting van de energie, en dezelfde energie kan goed zijn voor het ene proces en kwaad voor het andere. De egoïstische energieën horen tot de schadelijke, omdat ze een isolerend effect hebben en tegen het unitaire collectief van de universele evolutie strijden.
En dan de sleutel die alle moralisme onmogelijk maakt:
De esotericus begrijpt dat het motief het essentiƫle is.
Moralisten kunnen daar niets van weten, omdat ze oordelen op basis van uiterlijkheden, en ze begaan een ernstige fout wanneer ze zich het recht om te oordelen aanmeten ā nog afgezien van het feit dat elk moreel oordeel, zoals Laurency elders zegt, het gevolg is van haat. Liefde kan niet oordelen. Dat betekent niet dat er niets te doen valt; het tegendeel:
De mensheid is verantwoordelijk voor het feit dat het kwaad de overhand heeft. Het is onze plicht dit zoveel mogelijk tegen te gaan. Het is onze plicht het kwaad te weerstaan. Daarbij moet iedereen handelen volgens zijn eigen visie op de zaak.
De mensheid is dus verantwoordelijk, en die verantwoordelijkheid is niet collectief af te wentelen op een god of op de omstandigheden. Iedereen handelt volgens zijn eigen visie, met wettelijke middelen en zonder zelf recht te spreken. Wat dat concreet betekent, wordt in de volgende passage duidelijk:
Wie niet duidelijk protesteert wanneer er voor onze ogen onrecht wordt gedaan of wanneer haat wordt verkondigd, maakt zichzelf medeplichtig aan de heerschappij van het kwaad.
Hier raakt het essay zijn meest praktische punt: zwijgen is geen neutraliteit. Dat geldt voor het protest tegen onrecht, maar evengoed voor de haatdragende gedachten en gevoelens die mensen koesteren en die het lijden en het kwaad in de wereld vergroten. Collectief zaaien wordt collectief oogsten, en de geschiedenis van de wereld is het tribunaal van de wereld.
Tegelijk blijft de verhouding tussen hoger en lager de maatstaf:
Het lagere is kwaad in verhouding tot het hogere als goed. Kwaad is alles wat het leven belemmert. Het lagere wordt kwaad wanneer het een belemmering vormt voor de ontwikkeling.
Die formulering houdt het midden tussen twee uitersten die Laurency beide verwerpt: het ontkennen van het bestaan van kwaad ā zoals in de illusionistische filosofie en Christian Science, die beweren dat alles verbeelding is ā en het absolutiseren ervan. Kwaad is een afschuwelijke realiteit, maar het is geen zelfstandige macht; het is het lagere dat een obstakel wordt.
En zo eindigt de sectie met de paradox die het hele essay draagt: het kwaad is tegelijk het probleem en de leermeester.
Zonder kwaad zouden we niet weten wat goed is en zouden we nooit in staat zijn om te kiezen. Zonder fouten, verdriet en lijden zouden we niets leren, zouden we niet groeien en sterker worden door deze moeilijkheden te overwinnen.
Goed en kwaad vormen een paar van tegenstellingen, en het is juist door de tegenstellingen van het leven te bestuderen dat we kennis van de werkelijkheid verwerven. Dat is geen verontschuldiging van het kwaad, maar de erkenning dat een wereld zonder tegenstellingen geen ontwikkeling zou kennen ā en dus geen goed.
Wat volgt
Het tweede deel begint waar dit deel ophoudt: bij het relativisme van het juiste en de heersende chaos daarover. Van daaruit gaat het naar de tegenstander ā het moralisme en het morele oordeel, dat Laurency in verband brengt met de zwarte loge en met de neiging om het negatieve te absolutiseren ā en naar de vraag hoe je de mens werkelijk leert kennen. Het derde deel neemt dan het middenpad, gezond verstand en evenwicht, de idealen, het karakter en het onderwijs voor zijn rekening, en eindigt met de twaalf essentiĆ«le kwaliteiten: de kwaliteiten die de planetaire hiĆ«rarchie zelf als noodzakelijk beschouwt, en die de praktische vertaling vormen van alles wat in sectie 8 wordt betoogd.
Lees het volledige hoofdstuk 8 in het boek Kennis van het Leven 2.
Infographic
